OVG5.3: de conclusies en aanbevelingen

06.06.2019

Dit artikel is de samenvatting van onze reeks over het Onderzoek Verplaatsingsgedrag (OVG 5.3 - cijfers grotendeels verzameld in 2017) . Bekijk ook het overzicht van alle thema's.
 

OVG 5.3: Conclusies

Het Onderzoek Verplaatsingsgedrag 5.3 is er, olé! Geen tijd om al die cijfers en grafieken door te nemen? Speciaal voor jou: een beknopte samenvatting.
 

Voertuigen en rijbewijs

Vlaamse gezinnen hebben gemiddeld 1,24 auto’s en 2,2 fietsen. 85,05% van de gezinnen heeft minimaal een auto en 77,65% van de gezinnen een fiets.
Ondanks onderzoek met tegengestelde conclusies (we halen minder vaak en later ons rijbewijs) is er een significante stijging van het rijbewijsbezit in deze steekproef.
Meer lezen
 

Verplaatsingen

De wet Behoud van Reistijd en Verplaatsingen (BReVer) wordt andermaal bevestigd: de Vlaming verplaatst zich gemiddeld 2,55 keer per dag gedurende 79 minuten.
Meer lezen
 

Verplaatsingsmotief

Recreatief verkeer blijft het voornaamste verplaatsingsmotief en is belangrijker dan alle functionele verplaatsingen samen (woon-werk, zakelijk en woon-school).
Meer lezen
 

Modal split

Koning Auto blijft het voornaamste vervoermiddel, zowel naar aantal verplaatsingen als naar aantal kilometer.
De auto doet het ook goed op de korte afstand. Voor afstanden van 600 m tot 1 km kruipt een derde (34%) van de Vlamingen achter het stuur van de auto. Voor die afstand (van 600 m tot 1 km) gebruiken we enkel de ‘benenwagen’ net iets meer: 39%. 
Uit OVG 5.3 blijkt dat we minder vaak fietsen dan vorig jaar. Dat klopt (waarschijnlijk) niet, maar ligt aan een meer auto minnende steekproef dan gewoonlijk.
Meer lezen
 

Woon-werkverkeer

De auto blijft het populairste vervoermiddel voor woon-werkverkeer: 68,01% als bestuurder en 2,77% als passagier. Op ruime afstand volgt de fiets met 13,54% (waarvan 2,26% e-fietsers).
Met een bezettingsgraad van 1,05 in het woon-werkverkeer staan onze auto’s zo goed als leeg in de file. Het is enkel wachten op de zelfrijdende wagen om een gemiddelde onder de 1 te krijgen.
Er zijn (te) weinig werknemers die carpoolen, maar wie carpoolt doet het frequent.
Makkelijk en gratis parkeren in de buurt van de werkplaats zorgt ervoor dat de auto het meest gebruikte vervoermiddel is. Die conclusie kun je waarschijnlijk doortrekken naar andere verplaatsingsmotieven.
Meer lezen
 

Type woonplaats

Het bezit van voertuigen ligt in de randgemeenten van grootstedelijke en regionaalstedelijke gebieden het hoogst.
Het rijbewijsbezit is lager dan gemiddeld in het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel en in de grootstedelijk en regionaalstedelijk gebied centrumgemeenten.
In randgemeenten van het grootstedelijk verplaatst men zich minder vaak dan in andere types woonplaatsen. 
In stedelijke gebieden worden meer kilometers gedaan, dat is een gevolg van vliegreizen (<1.000 km) die er niet uitgefilterd werden.
Fiets en openbaar vervoer worden vaker gebruikt in stedelijke gebieden, de auto is er minder prominent.
Meer lezen

 

Jongeren

Jongeren van 6-12 jaar verplaatsen zich vaker (2,57 keer per dag) dan jongeren van 13-17 jaar (1,80 keer per dag). De 13-17-jarigen verplaatsen zich zelfs minder vaak dan 65+’ers (1,88 keer per dag).
Ook voor jongeren tot en met 17 jaar is de auto het voornaamste vervoermiddel, als passagier weliswaar. De achterbankgeneratie is er nog altijd.
Meer lezen - vanaf 18/6

 

Aanbevelingen methodologie OVG

  • Zorg voor een voldoende grote steekproef. Met een steekproef van 1.600 respondenten (waarvan een vierde zich niet verplaatst) bestaat het risico om op jaarlijkse basis sterke schommelingen te krijgen. In het verleden werd het OVG om de 5 jaar georganiseerd (met 8.000 respondenten) sinds OVG 4 werd geopteerd voor een jaarlijkse bevraging. Dat was een goede keuze, maar het lijkt noodzakelijk een finale vergelijking te maken wanneer een volledige OVG-reeks afgelopen is (zoals de administratie ook aangeeft). 

    Combineer het OVG met uitgebreidere verplaatsingsonderzoeken naar specifieke doelgroepen, zoals jongeren, verplaatsingsmotieven, zoals woon-werk, of type woonplaats. Op dit ogenblik is de steekproef van het onderzoek niet voldoende groot om tot betrouwbare conclusies te komen voor kleinere groepen respondenten.
  • De bevragingen voor OVG 5.5 lopen op dit moment. Na afloop zal de methodologie up to date moeten gebracht worden rekening houden met veranderend mobiliteitsgedrag. Voor OVG 5 was dat het geval door de elektrische fiets toe te voegen. Voor OVG 6 zijn de uitdagingen groter: de speed pedelec, micro-mobiliteit en vooral gedeelde mobiliteit, zowel deelauto's, deelfietsen als andere deelsystemen (e-steps, MaaS, ...).
     
  • Vliegtuigreizen van minder dan 1.000 km werden niet uit het systeem gefilterd en dat zorgde voor een sterke vertekening in de rapportage. In OVG 6 zou het interessant zijn om in de rapportage alle vliegtuigreizen apart op te nemen.