Dit artikel maakt deel uit van Notenkraker#2, een publicatie van Netwerk Duurzame Mobiliteit over mobiliteit en participatie.
In dit artikel brengen we de inzichten van Stefaan Walgrave, professor politieke wetenschappen aan de Universiteit Antwerpen en co-auteur van Politicians’ Reading of Public Opinion and its Biases, samen met het onderzoek van Eva De Vrij, projectleider bij Mobiel 21, die lokale participatietrajecten begeleidt en meewerkte aan een enquête bij 2.000 Vlamingen over mobiliteit. Zo leggen we Walgraves inzichten over de perceptie van publieke opinie door politici, naast concrete data en praktijkervaring van bewoners. Stefaan Walgrave was te gast als keynotespreker op de Inspiratiedag Duurzame Mobiliteit op 30 april 2026 om dit onderzoek toe te lichten. |
Weten wat de mensen denken of toch hoe ze denken over belangrijke thema’s ... Het is de droom van veel politici. Aan onderwerpen om een maatschappelijk debat rond te voeren ontbreekt het alvast niet. Aan meningen erover ook niet. Dat maakt het voor politici niet makkelijker om een goed beeld te krijgen van de publieke opinie. En nog moeilijker om die mee te nemen in hun beleidsbeslissingen.
Terwijl burgers in enquêtes of participatieprojecten soms opvallend progressieve voorkeuren formuleren, blijft beleid in de praktijk vaak achter. En waarom blijken politici zo vaak een onjuist of veel conservatiever beeld te hebben van wat de burger eigenlijk wil?
Welkom in het spanningsveld tussen publieke opinie, politieke perceptie, participatie en draagvlak.
Politici geven veel om de publieke opinie, maar …
Politici hechten veel belang aan de publieke opinie en doen er veel aan om te weten te komen wat de bevolking wil. Ondanks hun grote aandacht voor de publieke opinie ontdekte het team van Walgrave dat de perceptie van politici van wat de bevolking wil, opmerkelijk onnauwkeurig is. Ze schatten niet alleen het aandeel van de bevolking dat bepaalde beleidsmaatregelen steunt verkeerd in, maar plaatsen ook relatief vaak de meerderheid aan de verkeerde kant van het debat. Hun perceptie van de publieke opinie is bovendien systematisch afwijkend in een bepaalde richting. Ze schatten de standpunten van hun burgers meestal conservatiever in dan in werkelijkheid het geval is. Ook meningen die in lijn liggen met hun eigen mening beschouwen ze automatisch als kwaliteitsvoller. Tot slot projecteren politici hun eigen opinie op de publieke opinie. Daardoor overschatten ze hoeveel mensen het met hen eens zijn.
De Vlaming is klaar voor duurzame mobiliteit (veel meer dan politici denken)
Recent onderzoek van Mobiel 21 maakt de bevindingen van Walgrave duidelijk: er is wel degelijk een kloof tussen hoe Vlamingen werkelijk denken over (duurzame) mobiliteit en hoe hun mening politiek wordt ingeschat. Als we kijken naar het huidige beleid op het vlak van bv. openbaar vervoer of salariswagens, dan kunnen we stellen dat een duurzame modal shift geen topprioriteit is. Uit een representatieve enquête bij 2.000 Vlamingen blijkt nochtans dat die wel open staan voor duurzame mobiliteitsmaatregelen. Een greep uit de antwoorden in de enquête:
68% wil meer en betere fietspaden.
48% wil toegankelijke haltes en stations.
55% is voor een snelheidsverlaging in woonwijken van 50 naar 30 km/u.
59% wil goedkoper openbaar vervoer.
Aan de andere kant blijkt de Vlaming toch verknocht aan de auto. Zo vindt 54% dat mensen hun auto moeten kunnen gebruiken wanneer ze dat willen. 38% van de autobestuurders is niet geïnteresseerd in minder rijden en 43% ligt wakker van de files. Die spreidstand geeft een dubbel signaal: wij zijn voor duurzame mobiliteit, maar liever zonder al te veel persoonlijke hinder. Het is net dat gelaagde beeld dat politici kopbrekens bezorgt. Enquêtes meten de opinie vóór maatregelen voelbaar worden, maar niet wat er gebeurt na de invoering ervan. Zo kunnen mensen op papier voor een zone 30 zijn, maar zodra een straat wordt geknipt of een parkeerplaats verdwijnt, ontstaat weerstand. Daardoor kan steun die in een enquête groot lijkt, in werkelijkheid snel slinken of polariseren.
Dus maken politici niet enkel een inschatting van “hoe denken burgers nu?”, maar vooral van “hoe zullen ze reageren als die maatregelen echt ingaan?”. Want misschien worden burgers effectief conservatiever wanneer ze progressieve mobiliteitsmaatregelen gaan voelen, werpt Walgrave op. En dan hebben politici het toch bij het rechte eind wanneer ze de publieke opinie (te) rechts inschatten.
Waarom politici liever luisteren dan meten
Beleidsmakers hebben vandaag heel wat tools ter beschikking om zich een beeld te vormen van de publieke opinie. Gevraagd naar welke bronnen ze gebruiken, zeggen de meesten dat ze dat vooral doen door met ‘gewone mensen’ te praten. Ondanks hun soms felle kritiek erop, zijn de traditionele media hun tweede favoriete bron van informatie. Belangengroepen en sociale media zijn de derde en vierde bron van informatie over de publieke opinie.
Politici schatten de waarde van een persoonlijk gesprek met een burger dus hoger in dan meer objectieve gegevensbronnen zoals peilingen, onderzoek en enquêtes. Het gebrek aan systematische data en kennis over de publieke opinie heeft daar zeker mee te maken. Maar ook het feit dat politici peilingen en enquêtes te oppervlakkig en abstract vinden. Authenticiteit is hier een sleutelbegrip. Een gesprek maakt de meningen en argumenten van echte mensen tastbaar, veel meer dan de afstandelijke anonimiteit van peilingen. Het verklaart meteen waarom politici een cafégesprek waardevoller vinden dan een wetenschappelijke studie, weet Walgrave.
Een enquête wordt gezien als oppervlakkig omdat er geen context aan vasthangt: Waarom geven mensen dat antwoord? Hoe belangrijk vinden ze het thema? Welke argumenten leggen ze op tafel? Dat vertellen die peilingscijfers allemaal niet. Terwijl je tijdens dat geanimeerde tooggesprek met die ene burger, argumenten kan uittesten en uitwisselen. Dat is én luisteren, én antwoorden én lichaamstaal zien. Intense interactie dus, die politici veel leert over hoe diep verankerd een bepaalde opinie is of hoe groot de steun voor hun standpunt is bij de burger.
Participatie als georganiseerde intensiteit
Een participatietraject zou weleens de gulden middenweg kunnen zijn tussen tooggesprek en objectief − maar weinig diepgaand − onderzoek. Want het biedt politici de kans om met veel burgers op hetzelfde moment en op een gestructureerde manier in contact te komen. Dat is een heel belangrijk voordeel. De politicus kan zijn argumenten en visie tegelijk aan meerdere mensen toelichten (authentiek én met hoge intensiteit), terwijl de feedback van deze grotere groep gemakkelijker een genuanceerd beeld zal geven (minder bias).
Iets wat quasi onmogelijk is als je maar met één individu praat. Een participatiemoment is meteen ook voor burgers zelf een kans om hun vooroordelen of hun NIMBY-reflex onder ogen te zien, weet Mobiel 21.
Participatie als tegengewicht voor vooroordelen
Hoe diverser het participerende publiek, hoe krachtiger het effect is dat participatie heeft om vooroordelen om te buigen. En daar knelt vaak het schoentje. Je hoort weleens dat het altijd de luidste roepers of de hooggeschoolden zijn die op zo’n participatiemomenten afkomen. Geen wonder dat politici zich dan vragen stellen over de representativiteit van participatie. Dan blijft enkel het dilemma over: Moet ik luisteren naar de stille meerderheid of naar de luidste minderheid?
Dat beseffen ook onze participatiespecialisten bij Mobiel 21. Zij ervaren dat evenwichtige representatie niet evident is. Vaak starten ze met een enquête om in de breedte te bevragen en minder evidente stemmen naar boven te brengen. Daarna komen de gesprekken om nuance in het debat te brengen, extra kennis aan te reiken en te luisteren naar ervaringen en standpunten.
Heel belangrijk is de communicatie door het hele proces. Want beslissingen of veranderingen zullen altijd wel iemand teleurstellen. Blijven uitleggen waarom bepaalde keuzes gemaakt worden is cruciaal. Transparante communicatie vermijdt polarisering en geeft legitimiteit aan het proces, ook bij maatregelen die niet iedereen steunt. Een goede manier om mensen mee te krijgen in een verhaal van verandering zijn testopstellingen. Zo kunnen beslissingen die via participatie tot stand zijn gekomen, getoetst worden aan de realiteit. En waar nodig bijgestuurd.
Kunnen we de kloof tussen publieke opinie en politiek verkleinen?
Het onderzoek van het team van professor Walgrave en de enquête van Mobiel 21 bieden drie handvatten voor zelfbewuste beleidsmakers:
1. Besef dat je eigen inschatting van de publieke opinie vaak niet overeenkomt met de werkelijkheid. Perceptie is niet de realiteit. De publieke opinie is gelaagd en kneedbaar. Een sterk beleid verhoogt ook de bereidheid tot verandering via open communicatie. 2. Diversifieer: wissel brede dataverzameling af met diepgaande gesprekken Authenticiteit en directe feedback zijn belangrijk. Goed participatiebeleid combineert persoonlijke gesprekken met verschillende doelgroepen en objectieve data uit verschillende bronnen en (systematisch) onderzoek om de representativiteit te versterken. 3. Durf beleid voeren dat progressiever is dan je buikgevoel suggereert Weet dat mensen meer openstaan voor vernieuwing dan je denkt. Verandering vraagt tijd, maar neem die dan ook om nieuwe maatregelen uit te testen en mensen de tijd te geven om eraan te wennen. |